Smartphones zijn handig, maar een lege batterij of geen bereik kan je in het veld zomaar in de steek laten. Wie kan navigeren met kaart en kompas, blijft altijd de baas over de eigen route. Het klinkt ingewikkelder dan het is.
Begin met de kaart
Een topografische kaart laat veel meer zien dan wegen alleen. De bruine hoogtelijnen vertellen je hoe steil het terrein is: liggen ze dicht op elkaar, dan klim je flink. Leer de belangrijkste symbolen herkennen, zoals bos, water en bebouwing, en let op de schaal. Bij een schaal van 1:25.000 staat één centimeter op de kaart voor 250 meter in het echt.
Het kompas erbij pakken
Een kompas wijst altijd naar het magnetische noorden. Om je kaart goed te leggen, draai je hem net zolang tot het noorden op de kaart samenvalt met de noordnaald. Nu komt alles om je heen overeen met wat je op papier ziet. Dit heet het oriënteren van de kaart, en het is de basis van alles.
Wil je een richting bepalen naar een ver punt, dan neem je een peiling:
- leg de rand van het kompas tussen je standpunt en je doel
- draai de kompasring tot het rooster naar het noorden wijst
- lees de graden af en loop die richting in het terrein
Oefen dicht bij huis
Wacht niet tot je verdwaald bent om dit te leren. Pak een kaart van een bos of natuurgebied in de buurt en probeer een paar herkenningspunten te vinden. Vergelijk steeds wat je ziet met wat op de kaart staat.
Na een paar keer oefenen wordt het een tweede natuur. Je telefoon blijft dan een handige back-up, maar je bent er niet meer van afhankelijk.
